Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

524 XXIV. BEDESTONDE

hingen (tot God op eene behoorelyke wyze opgezonden) trekken.

De man naar Gods hert bied ons hier toe de hand. Hy zegt

Psalm CXXXVIII, 3.

Wanneer ik U aanroepe; zo verhoor my, en geef •myne ziele groote kracht.

,\z\^''anneer men de woorden naar den Hebreeuwfchen Text opvat: dan zou men - ze wel eenigzints anders dienen te vertaaien (*); edoch wy zouden daarmede tot ons oogmerk niets vorderen ; want, hoe men de woorden vertolke, zy koomen altoos daarop uit, dat David van eene verhooring en verflerking zyner ziele, zyn gebed verzeilende, fpreekt, en dit is genoeg tot myn doelwit in deeze verhandeling.

In het vervolg zal ik (zo God wil en ik leeve) met u lieden fpreeken over de verhooring van het Gebed. Thans zal ik alleen aantoonen; hoe de ziel door het

Gebed

(*) Daar flaat anders eigentlyk (niet biddender, maar dankender wyze); in den dag, dat ik tot U geroepen hebbe ; hebt Gy my verhoord, en myne ziele groote kracht ge* geeven: zoo dat David daar fpreekt, als van eene zaak, die Hy bevonden had; en dan is het althans zeeker, dat de ziel by het Gebed verfterkt word. Edoch neemt men het biddender wyze op, gelyk het vertolkt is; dan blykt ten minfte, dat David zig eene zodaanige verfterking zyner ziele by zyn ge • bed beloofde. Nu ik dan voorhebbe te toonen, dat de ziel waarlyk by het gebed veel nuts ontvangt en verfterkt word, dagt ik, dat het niet noodig was, my in de Voor-anpra?k lang met de vertaaling op te houden.

Sluiten