Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

över KÖLÖSSENSEN III: 1,2. Ht

reldschgezind leeven van zich zeiven afwenden* en op den Heer fchuiven, even als of het aan God fcheelde, dat zij niet heiliger en hemelschgczinder leeven dan zij nu doen;

Gave God, mijne Toeh., dat elk uwer eens gezet en bedaard met dit voorgeftelde naar binnen keerde! en hebt gij uwen naam gehoord* 6! mogt gij dan toch eens leevendig bezcffen* hoe jammerlijk en gevaarlijk uw ftaat zij, en mogt die bedenking u van dit oogenblik af aan doen ontwaaken, uit die rampzalige ongevoeligheid en zorgeloosheid, waar in gij door de zonde gezonken ligt. Tot ulieden, zoo ellendig en diep in het aardfche verzonken $ als gij daar ligt ^ koomt ook nog op dit oogenblik Goóè Woord: Ontwaakt gij die papt; ftaat op uit den dooden, en Christus zal over u lichten. Ja de groote God roept ü door mijnen mond ook nog heden toe: Waarom weegt gij lieden uw geld uit voot het "ene dat geen brood is, en uwen arbeid vtor het gene niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar mij, en eet het goede, en laat uwe ziel zich in vettigheid verlusten. Och! dat deze lieflijke, maat tevens voor ulieden zoo aangelegen lokftem vart den prootenGod,zoo door uwe ooren en harten ingaan mogt, dat gij, zoo flecht en hulpeloos als'gij ook zijc j tl tot Jefus leerdet wenden, om door Hem, in de toebrenging van zijnen Geest5 bekwaam gemaakt te worden,om deflechtigheid te leeren verhaten , en te leeren leeven, en treeden op den weg des verftands !

En waarom "toch, ö diepverdwaalde fterves lingen! waarom toch zoudt gij deze hemelfterri geenen toegang in uw hart willen vergunnen ? %\\X gij dan zoo gelukkig in het genot van heè Ka tij-

Sluiten