is toegevoegd aan uw favorieten.

Nagelaaten leerredenen over Paulus brief aan de Kolossensen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over KOLOSSENSEN ijl: 5-7- »*J

itë krijgen, of ten minftcn voor het laatst nog al het nadeel te doen, waar toe hij zich in itaat

bevindu . i . .

Dan mogelijk vraagt mij uwe aandacht nader , hoe werkt en verkeert toch nu wel een Uinsten, wanneer hij er zich op toelegt, om den ouden mensch te kruifigen, en de leden, die op aarde zijn, gedood te krijgenV

Zulk een, Geliefden! door Goddelijke genade aanvanglijk leevendig gemaakt, heelt eenen mnigen afkeer van, en doodlijke vijandtchap opgevat tegen alles, wat hij weet, dat God outcert, en tegen zijnen wil ftrijdig is. Hij h?«f bijzonder eenen onverzoenchjken haat tegen zijne eigen verdorven -natuur \ hij merkt uie aan als eene walglijke onreinighcid, waardoot hij in het oog van den heiligen God, en van al wat waare heiligheid' bemint , ten eenemaal affchuwelijk en verdoemelijk gefteld wordt, jiij bemerkt, tot zijne groote fmert, noen* .tans zoo veel van dat onzalig beftaan 111 zich, dat hij zich deswegens niet genoeg fchaamen en voor God verootmoedigen kan. — Meermaal onderneemt hij in eigen kragt, zich van de zonde te ontdoen , en , ftond het in het vermogen zijner hand, hij zou ook waarlijk die, met wortel cn tak, uit zijnen boezem uitrukken; dan de fmertlijke ervaaring leert hem meer en meer, dat in hem geene kragt zij tegen dat aanhangend bederf, ja dat hij met eene eemge boezemzonde, zonder den bijftanci van jCiuj Geest, in zich zeiven dooden kan. Dit oezet maakt hem evenwel niet ijver- noch moedeloos* Hij weet, God beveelt hem: doodt uwe leden, die op; aarde zijn; en de toezegging van Jefus genade

IV. Deel. I' en