Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<over KOLOSSENSEN III: 17. 513

«Kettingen, -en overreed te zijn, dat hij op «ene wettige wijze daartoe van den Heer geroepen worde. Zonder dit, kan hij zijne bediening niet in het geloof, en dus ook niet in den naam van den Heer Jefus verrichten, als een ftuk van gehoorzaamheid en Godsdienst. — Zulk een behoort, ten tweeden, fteeds in het oog te houden zijn veelvuldig gebrek, en hoe groot een zondaar hij in alles , ook in het beste, voor God zij: om dus voor alle hoogmoed en zelfsverhefing bewaard te worden; telkens als een ellendige en fchuldige tot den troon der gènade te vlugten; en des te beter bekwaam te zijn, om met den moeden ook een woord van troost te kunnen fpreeken. — Zulk een moet vooral een nederig gevoel van zijne onbekwaamheid en krachteloosheid hebben en leevendig houden, en.teffens eene hooge gedachte van de volkoornen genoegzaamheid van , Jefus, ter zijner hulpe, om zoo afhangelijk van den Heer, en onder geduurige verzuchting tot zijne genade, en dus niet in eigen kracht te werken; ook om tegen het veelvuldig werlc niet al te moedeloos optezien, cn, als men eenigen voorfpoed vindt, met nederige erkentenis voor de ontvangen hulp den Heer te danken ; en geenszins te rooken aan eigen garen en netten. Maar vooral, zulk een mensch behoort

fteeds den Heer blijmoedig te dienen; hij moet htt uit liefde voor Christus, uit liefde voor de gemeente doen, en met dien toeleg, om, zoo veel in hem is, aan het belang van Gods koningrijk en aan de zaligheid, zoo wel als aan het uitwendig nut zijner medemenichen, uit e*;i> IV. Deel. Kk edel»

Sluiten