Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over KOLOSSENSEN ÏII: "t7. Ui

baar te zijn < niet befpeuren, als nu wel eens plaats vindt, Zij toch, die, aangezocht zijnde, een weigerend antwoord gecven , hebben niet minder hunne geweetens voor God tc onderzoeken, dan zij, die den dienst daadlijk aanvaarden. k-

Men heeft'wel toetezicn, dat men het niet weigere uit eene verachtelijke verfmaading van die bedieningen. De weereld moge dezelve zoo» gering aanzien, als zij wil, bij God en m de pchting van |efüs , die de leevenden cn dooden eens zal oordeelen, zijn deze bedieningen ge. wigtig cff eerwaardig. — Men heeft wel toetezicn, dat men zich niet önttrekke uit traagheid cn lustloosheid, om Wat te doen voor Jefus dienst. Men gedenke aan dien luien dienstknecht, die zijn talent ïn de aarde begroef, m Men heeft wel töetezien, dat men zich niet önttrekke uit wantrouwen en ongeloof; het zij. dat men niet met God iets durve waagen, ten aanzien van tijdelijke beletfeJcn; of dat men al tc zeer op zijn eigen onvermogen fbaart, en de hulp des Heeren, dengenen die Hem dienen toegezegd, niet genoeg in het oog heeft. — Eindelijk, men heeft wel toetezicn, dat men den dienst van God niet verfmaade uit eene zucht tot een vrolijk en ongebonden leeven, denkende: als ik in den dienst van Gods kerk ben, dan voegen mij die en die vermaaken niet „■ en daarom zaï ik mij maar onttrekken. Want" zoo zou men toonen meer liefhebbers der weereld , en der wellusten, dan liefhebbers vaö God te zijn.

Wat dan? Die, aangezocht zijnde, een wek merend antwoord'geeft/moet zoo zedelijk overB Kka Keel

Sluiten