Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prediker VIII. vs. Ui 493

eene laate bekeering, welke bij denkt altoes in zijne magt te hebben, — Ik zal deeze ftukken één voor één overweegen — onderzoeken, wat gewigt de zondaar gewoon is daar op te leggen — en • aantoonen de dwaasheid en ongerijmdheid van zulk een gedrag.

Voor eerst- Omdat niet haastlijk het oordeel over de looze daad gefchiedt, daarom waanen de zondaars, dat er zoo groot een kwaad niet in gelegen is, als men gemeenlijk ftelt. Zij ondervinden er geene nadeelige gevolgen van — zij hebben geene banden, tot hunnen dood toe. Zij redenkavelen gelijk de duivel deed, tot Eva: Gij zult den dood niet fterven. De fmaak der zonde is zoet voor hun gehemelte, maar zij weeten niet, dat dezelve in hun binnenfte galle der adderen zal zijn! — Is het dus met u gefteld, zondaar? Overweeg dan, bidde ik, wat wij te vooren, van de fnoodheid der zonde — van derzelver aart, en van haare gevolgen , gezegd hebben. De godlooztn zullen terugge keer en naar de helle toe. Psalm IX: 18. De zonde, voleindigd zijnde, baart den dood. Jakobus I: 15. Gij kunt al de boosheid die in de zonde is, thands niet zien; nu is flegts de zaaitijd, maar hier na zal de maaitijd koomen. De zondaars vergaderen zich thands eenen fchat, hier na zal dezelve hun toegemeeten worden. Gods eer vordert, dat Hij het gezag zijner Wetten handhaave — en in die Wetten heeft Hij verklaard, dat het den godloozen kwaalijk gaan zal!

Ten tweeden. Omdat niet haastlijk het oordeel ever de booze daad gefchiedt, beelden de zondaars zich in, dat God zulk een mishaagen niet heeft in de zonde, noch zoo grootlijks door dczglve vertcornd wordt,

als

Sluiten