Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PREDIKER VIII. vs. ii. 495

weg, wel geheel zal achterblijven, en zij vrede hebben zullen, offchoon zij naar het goeddunken van hun hart wandelen. Ik ipreek van menfchen, die met opzet in de zonde leeven. Zij befchouwen de ftraf, alseene zaak die zeer verre af is. En wij weeten, wat uitwerking dit heeft. Zij zijn — dus denken zij — töt hier toe vrij geraakt, en waarom niet in het toekoomende? Ontftaan er eenige twijfelingen bij hen, zij denken, dat welligt de vrees grooter is dan het gevaar. — Wij zijn, 't is waar, gewoon, dus te redenkaveleu. Bij de menfchen, geeft alle uitftel eene moogelijkheid van ontkooming. Dan zoo is het niet bij God, Zie de twee Verzen die op onzen Tekst volgen. Duizend jaaren zijn bij God als één dag; geen tijd noch toeval, kan Hem hinderen. Wat zekerheid kunnen wij verlangen? eene andere, dan met den aart der zaaken beftaanbaar is? Zijn wij niet verzekerd dat wij fterven zullen? - O! zondaar! gij bedriegt uzelven ! Een bedroogen hart leidt u ter zijden; en het uitftel maakt het allerzekerst, dat Gods rechtvaardigheid de bedreiging zal uitvoeren.

Ten viekd en. Omdat niet haastlijk het oordeel over de booze daad gefchiedt, daarom waanen de zondaars, dat hunne ftraf, voor het minst, niet zoo ftreng zal weezen. „ Houdt de langmoedigheid zijne hand te„ rug", dus redeneeren zij, „waarom zou Hij dan

ook zijn vonnis niet kunnen maatigen? waarom zou 9, Hij niet, in den dag des toorns, der ontferminge „ kunnen gedachtig zijn? Zijn geduld fchijnt ons ten „ waarborg te ftrekken, dat Hij zulks doen zal". —Dan dit is het nog niet alles. Menfchen, die gelooven

Sluiten