Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40 VERHANDELING OVER DEM

Kinderen weenen, geluiden der gewaarwording, gelijk de beesten; maar is de fpraak, die zij van menfchen leeren, niet eene geheel andere fpraak?

De Abt condillac (*) is onder het getal van deze verklaarers. Hij heeft of deze geheele zaak, de fpraak, reeds voor de eerfte bladzijde van zijn boek onderfteld als reeds uitgevonden, of ik vinde op elke bladzijde dingen, die volftrekt met de orde der vorming eener fpraak niet overéén kunnen ftemmen. Hij fielt tot een' grond zijner onderftelling, ,, twee kinderen in eene woes-

tijn, eer zij het gebruik van eenig teken ken„ nen." Waarom hij dit alles fielt: „ twee kin„ deren ," die derhalven omkomen , of dieren moeten worden; ,, in eene woestijn," waar de zwaarigheid van hun onderhoud en hunne uitvinding nog vermeerdert; „ voor het gebruik van „ alle natuurlijke tekenen, ja zelfs voor alle ken,, nis aan dezelven," zonder welke nogthansgeen zuigeling , weinige weeken na zijn geboorte, is: — waarom, zeg ik, in eene onderftelling,die den natuurlijken loop der menschlijke kennis zal nafpooren, zulke onnatuurlijke dingen ten grond gelegd moeten worden: mag derzelver uitvinder weten; doch dit vermeet ik mij te bewijzen, dat daar op geene verklaring van den oorfprong der fpraak kan gebouwd worden. Zijne twee kinderen komen bij één, zonder kennis van eenig teken, en — zie daar! in 't eerfte oogenblik(§.a.)

„ zijn

(*) Efai fur V Origine des Qnnnaijjiinces humaines. vol. tl.

Sluiten