Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ftB VERHANDELING OVER DEN

gen op ééne zaak, gevolglijk geene kunst-drift, geene kunst ■ vaardigheid, — en, het welk hier nader t'huis komt, geene dierlijke fpraak.

Wat is toch , het geen wij, buiten en behalven de boven bijgebrachte geluidbaarheid der gewaarwordende machiene , bij eenige foorten dierlijke fpraak noemen, anders dan de opfomming (het reftiltat) der aanmerkingen, die ik faamgefchikt en in orde gebracht heb ? Een duister zinlijk we derzij dsch verjlaan eener dieren -foort onderling over haare beftemming, in den kring van haare werking.

Hoe kleiner derhalven de kring der dieren is, hoe minder zij fpraak nodig hebben. Hoe fcherper haare zinnen, hoe meer haare voorftellingen op ééne zaak gericht, hoe aantrekkender haare driften zijn, des te meer faam getrokken en bepaald is het wederzijdsch verftaan van haare klan-

fcen , teekens, vertooningen. Het is leeven-

dige Mechanismus, heerfchend InJtincJ, dat hier fpreekt en waarneemt. Hoe weinig behoeft het te fpreken, om waargenomen te worden!

Dieren van den engften werk-kring zijn daaröm zelfs zonder gehoor; zij zijn voor hunne wereld geheel gevoel, of reuk, en gezigt; geheel eenvormig beeld, eenvormige trek, eenvormige be. zigheid; zij hebben derhalven weinig of geene fpraak.

Doch hoe grooter de werk - kring der dieren, hoe meer onderfcheiden haare zinnen — maar wat behoef ik het te herhaalen ? Met den mensch verandert ht toneel geheel. Waar toe zou voor zijnen werk - kring , ook zelfs in den behoeftigften toe-

ftand,

Sluiten