Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MATTHEUS XIX. vs. 24. 25

die door het opeenffapelen van fchatte te vol» doen , zij in de ftrikken der gierigheid meer en meer ingewikkeld en verward raaken. Want terwijl zij de fchatten opeenftapek a, worden hunne begeerlijkheden door nieuwe voorwerpen geprikkeld ; en alles wat tot blusfching van dit vuur wordt bijgebracht, geeft aan het zelve nieuw voedr fel. Uit dien hoofde zegt Plütarchus, of liever Menander, niet onfierlijk in dit opzicht. Want een enkel vriend kan het gebrek aan tijdelijke middelen door liefdaadigbeid vervullen: maar de gierigheid kan door alle de leevenden en dooden f zamen niet verzadigd -worden. Uitmuntend gezegd, inderdaad! want de ondervinding leert het, dat de gierigheid eene ongeneeslijke ziekte is, die door het geneesmiddel zelve verergerd wordt.

Met geen mindere fierlijkheid, en niet min waarachtig, drukt dezelfde Schrijver de overheerfchende kracht,die de gierigheid,boven andere ondeugden, in de Ziel uitoefent, in het zelfde boek dus uit: En dit is ook eene bijzonderheid aan de gierigheid eigen, dat zij eene begeerte is die tegen haare eigene voldoening flrijdt: daar de andere in tegendeel daar toe jlrekkende zijn.

Waardigis insgelijks het zeggen van Isokrates in ptincipio Areop. daar hij zich dus laat huoren : Gemeenlijk vindt men met rijkdommen en macht eene zekere onzinnigheid als door maagB £ fihap

Sluiten