Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 144 )

Daar hoort gij u voor 't eerst den naam van vader geven;

Maar van alle aardfche zorg, bij dezen naam, bevrijd. Ja, nieuwland! ja ons hart moet u gelukkig noemen,

En toch, toch wenen wij, bij 't denken aan uw dood: Kunt gij, mijn Vaderland! nog op een burger roemen,

Zo goed, als dien gij mist, zo deugdzaam, en zo groot? Waarom dan zoude uw oog geen droeve tranen plengen?

Hij, om wiens dood gij weent, is al uw tranen waard. Maar dit zij 't enigst niet, dat wij ten offer brengen,

Zijn deugd, zijn grootheid, zij voor 't nagedacht bewaard. Ja! 't laatde nagedacht moet van zijn deugd nog horen,

Als 't onze liefde en fmart in duurzaam marmer leest; Dan waartoe hem een zuil? de roem gaat nooit verloren,

Die op de deugd gegrond noch dood noch tijden vreest. 28 November

I7j>4. - J. M. K e si p e n.

Sluiten