Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124 DE LEER VAN GODS

den va'ikr, en toch, even gelijk de vader, eeuwig zijn.

Ik zal 'er nog maer eene reeks van gedachten bijvoegen , bij welke ik mij, zonder de leer van eene zeekere Meerderheid in god aen te neemen , in onoplosbaere zwaerigheeden vind ingewikkeld; zwaerigheeden ondertusfchen , welke, zodrae ik deefe leer der Schrivten aenneem, grootendeels verdwijnen,

God was, — dit ftemt zelvs de belijder van den blooten Natuurlijken Godsdienst toe ; — god was niet, voor de fchepping der waereld, zo als een gevoel en leevenloos weezen is; Hij leevde van eeuwigheid. Nu beteekent leeven, kracht te bezitten, om te kunnen werken, en daedelijk werkzaem te weezen. Maer welke was die werkzaamheid van god, eer 'er iets buiten Hem beftondt? Leedig en onwerkzaem kon Hij niet zijn: wantfluimerende en onwerkzaeme kracht is onvolkoomenheid, welke, aen het oneindig volmaekte Weezen, niet zonder ongerijmdheid , kan worden toegedicht

Het is waer, denken en willen verfchaft, aen den menfchelijken Geest, beezigheid; zelvs dan, wanneer hij, door bedrijven buiten zich zelve,niet werkzaem is. Maer is deefe beezigheid, voor den Geest van den mensch, niet enkel daerom beezigheid , omdat hij gedachten, uit gedaehten,en gevolgtrekking, uit gevolgtrekking, ontwikkelt? om. dat hij daerdoor zijne kennis uitbreidt, en zijne

ze-

Sluiten