Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aio DE LEER VAN GODS

Het lust ons niet , onderzoek te doen, naer de oudheid en oorfprong der Hebreeuwfche tael Gj) j alleenlijk merken wij maer aen, dat de vooronderftelling, volgens welke deoudeinwooners van Kanaan dezelvde tael zouden gefprooken hebben, als de Hebreeuwen, zonder eenig genoegzaem bewijs, worde aengenoomen. Daer te boven zal niemand zich overreeden laeten, dat mose, die, gelijk wij gezien hebben, niets on« beproevd liet, om de afgoderij tegen te werken, zich van eene uitdrukking, uit de afgoderij oorfprongelijk, zoude bedient hebben, om daer» door den ecnigen en waeren god aen te duiden; te minder omdat hem niets verhinderen konde, het zelvde Hebreeuwfche woord eloah, in het enkelvouwig getal, te gebruiken O).

Hier koomt nog bij, dat de afgoderij, ten tijde der Aertsvaderen, nog op verre na niet algemeen waere, onder de Kanaanners. De ongerechtigheid der Amoritenwzs, ten tijde van abraham, nog niet volkoomen (ei). Ook bewijst het Voorbeeld van melchisedek , die Koning van Salem, en een Priester van den Merhoogfïen god was(&), dat hunne Godsdienst, op dien tijd, over het algemeen vrij zuiver waere. — Abraham

00 M*!*um Haganum, Tom IV: pag 198, — 216.

(2) Van alphen, Comment. in Danielis Cap. IX. p. 119—1.25. ViuM02T, ad Diéla Clasfica V. T. Parte i.pag. 125.

00 Gen. XV; 16, (b) Gen XIV: iS.

Sluiten