is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedachten van Jacobus Hinlópen, predikant te Utrecht, over eenige plaatzen en zaken, in de Heilige Schriften voorkomende

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 253 )

tigd worden, f» en, gelyk hy daarmede meer dankbare liefde aan God betoonde, moest ook zyne liefde tot zyn naasten, in 't verzoeken en onthalen van meerder gasten, grooter wezen. Deze en andere offeranden mogten zy, om de gevoelens van veelgodery te vermyden, niet offeren, dan , in de plaatze, welke God, in hun land, hun aanwees, en, wanneer zy dit daar deden, moesten zy, methunne kinderen, flaven, flavinnen, en met den Levit, die in hunne poorte was en leerde, aldaar vrolyk zyn, voor het aangezicht des Heeren. Elk derde jaar, van de fes jaaren, moesten zy allesvan hun inkomen vertienen, om de Leviten, de vreemdelingen, de weduwen en weezen te onderhouden, daar, waar die, met hun, verblyf hadden. Ditzelfde moesten zy met de eerflelingen van de vrucht hunnes lands ook doen, (c) als zy diebragteii tot de heilige plaatze; (d) op hunne vrolyke feesten, welke zy, driemaal, in 't jaar, hielden , moest al watmanlyk was, niet ledig, voor Gods aangezicht, verfebynen, en, inzonderheid, op het Pinkfïer- en Loofhutten-feest, moesten de Levit, de vreemdeling, de weduwe en de weezen, zoowel als hun zoon en dochter, dienstknecht en dienstmaagd, met hun, aldaar vrolyk wezen. (7) Doof deze Godsdienftige verrichtingen, welke, naar de wet, op gezette tyden wederkeerden, moesten zy dan, aan het oefenen

(a) Levit. vu: 15. (?) Deut. xn: 11, ii, i&

(c) Deut. xiv: 27—20. xxvi: 12, 13.

(d) Deut. xxvi: 10, 11.

(fi) Deut. xvi: 11, 14, 15, jf.

R