is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedachten van Jacobus Hinlópen, predikant te Utrecht, over eenige plaatzen en zaken, in de Heilige Schriften voorkomende

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 254 )

nen van liefde tot elkander, gewoon worden, en het voor eene zeer gcwigtige plicht, welke God, in zynen dienst, zo zeer vereischte, houden.

Evenwel moeten wy niet denken, dat de wet deae alleen vorderde omtrent Israëlieten, en hun vryheid Het, om alle andere menfchen trotfchelyk te verachten, te haten en te verdrukken. Neen; de wet leerde hen ook liefde tot allen. Wy hebben reeds meermalen wetten opgemerkt, in welke de vreemdeling aan hunne milddadige ën bezorgende liefde, zelfs by het oefenen van den- Godsdienst, wierd aanbevolen, en vinden nog meer byzondere ■verplichtingen, hun, omtrent éle vreemdelingen, opgelegd; welke geen twyfel laten, of hun wierd ook geleerd, by de liefde tot de broederen de liefde tot allen te voegen. In de grondwet van het verbond Gods met Israël, wierd den vreemdelingen, die in hunne poorten waren, zoowel als: hun, de rust van den fevenden dag vergund, en, in éene nadere bepaling, nog wel duidlyk, gezegd: dat zy, op den fevenden dag, zouden rusten; opdat hun os en ezel rustte, en dat hunner dienstmaagd zoon en de vreemdeling, onder hen, adem fchepten. (a) Den vreemdeling mogten zy in 't geheel geenen overlast doen, noch hem onderdrukken, omdat zy het gemoed van een vreemdeling konden, als die zelve vreemdelingen in Egypten geweest waren, en anderen niet moesten doen, hetgeen zy ook niet wilden, dat hun gelchiedde. (7) Dit wierd hun, in eene volgende uitlegging van de

wet,

(a) Exod. xxi 11: 12.

(b) Exad. xxn: 21—24 xxru: 9.