Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 261 )

leere droeg hy de liefde voor, zooals zy, door de wet en profeten, geleerd was, zyne gefprekken drongen dezelve aan; door verfcheidene gelykenisfen, helderde hy de betrachting derzelve zeer aangenaam op, terwyl zyne daden, tot de laatfte oogenblikken van zyn leven, niet dan liefde tot zyn volk en tot allen ademden. Zyne Apostelen, met zynen geest bezield, volgden hem getrouwelyk hierin na. Zy leerden wel, dat wy van die letterlyke wettifche inzettingen, welke tot de kindschheid der wereld behoorden, en, met de verbreking van der Joden burgerftaat en tempeldienst een einde namen, ontflagen waren, maar niet van het einde des ,gebods, hetwelk is, liefde, uit een rein hart, een goed gewisfe, en een ongeveinsd geloof; ja, zy drongen fterk aan, dat wy tot die volmaakte liefde, door Mofes wet geleerd, verbonden blyven, om God, als vrygemaakten, te dienen, niet in oudheid der letter, maar in nieuwheid des geestes. Overal beroepen zy zich, gelyk hun heer en meester gedaan had, op getuigenisfen uit de wet en profeten. O) Het gebod der liefde is dan geen nieuw, maar een oud, gebod, hetwelk wy van den beginne gehad en gehoord hebben. Doch het is ook een nieuw gebod, voor zoo verre Jefus er dit bevel bygedaan heeft, dat wy elkander moeten liefhebben, gelyk hy ons lief gehad, en een voorbeeld gegeven heeft. 00

En

00 * Tm- i: 4- Rom- VII: 6' 00 1 Joann. 11: 7, 8. 11 Joatm. 5- Joam. xm: 2-15, 34; 35- xv. 12—17.

Sluiten