is toegevoegd aan je favorieten.

Eerbare proefkusjes van vaderlandsch naïf, in de Arkadische vrijerijen van Dichtlief en Gloorroos.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29° DICHTLIEF bw

drenkling ftrakftijf itaan, b«wogen; gloor. koos leefde, gaf geluid, en weende; niets uitboezemende dan: — ö mijn vriend!

— mijn dichtlief! waar zijt gij? „

help, help uwe ftervende zielsvriendin. — Dichtlief! — Dichtlief! waar zijt gij? in die verwilderde ontroe¬

ring, zag zij alwaardij en haar fchreijende Zuster aan: zij erkende ze, en ftrekte de nog beklemde armen uit. — Zij wilde opftaan , doch haare kniën knikten; zij zeeg neder. Alwaardij zeeg naast haar op den grond , en lelijane floeg plotsling neer in Zusters armen. Deze drie Vriendinnen kleefden fterker aan een, dan de drie bevalligheden, daar zij ineen fmelten. De Droefheid en Aandoening, toonden hier haar vermoogen, om al wat teder is door de zielentekening, op de kaken van ontroerde fchoonheden te fchilderen: al wat Bevalligheid aan deze fchoonheidjes in hunne geneugten gefchonken hadt, fchonk ze nu in droefheid. De woelende Zephijrts, die nu al zachtjes met zoeltje om de fchaamle hut van goedaart en zorglief zweefde, twisten onder een , of de traantjes van tedere fchoonheden , niet bekoorlijker waaren in 'i fchreijen, dan haare toverende lagchjes,

als