Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S5Ó Dl DUITSCHE UNIE.

diker en naderhand profesfor in de Theologie te Leipzich, alwaar hij in 1775 overleedt. De jongeling nam, terwijl hij ftudeerde, dienst als pruisliesch husfaar, maar wierdt door zijn vader afgekocht. Hij was M. A. in 1761. Hij wierdt cathechifeermeester in zijn vaders kerk, behaagde zeer in zijn prediken, en fchreef in 1765 Leerredenen en eenige fchriften over gefchilftukken, die hem eer aandeeden, maar hij begon toen een losbandig leven te leiden en zich ongemeen bitter en beledigende naamlooze pasquillen te veroorloven. Niemand wierdt verfchoond. Profesfors, — Overheden, — Kerkelijke, — trokken zijne meeste opmerking tot zich, — ook ftudenten, — en zelfs cameraaden en vrienden. Bahrdt zeide dat deeze dingen wel is waar tot op het gebeente doorbeeten, maar echter zeer juist waren. Ongelukkig was zijne .lighaams gefteldheid hetgeen de atomifche wijsgeeren, (die alles door de lugt en trillingen kunnen verklaaren,) fanguiniich noemen. Daarom (dit zijn zijne eigene woorden) was hij een vuurig beminnaar der fexe. Van de avondmaaltijd thuiskomende , ontmoette hij dikwils eene jonge juffrouw op den weg naar zijne wooning, net gekleed in een roozenkleurig zijden kleed, eene muts van hermelijn, kostbaar en als eene dame van rang. Eenen avond (naa eene goede portie ouden Rhijnwijn, zegt hij,) zag hij de dame tot haarent. Eenigen tijd daarna kwam de meesteresfe van het huis, Madame Gadfchuskij, op

zij-

Sluiten