Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Driehonderd Tweeenzestigste Brief. 37

gereed om vuur te geven op de minde ontmoeting, die hen verdacht voorkomt.

Ik zoude echter zeer geneigd zijn om te gelooven dat deze voorzorgen thans hier zoo noodig niet zijn als 'in het koningkrijk Napels. De Koning Viftor Amadeus de IIde van Savoije, wiens regering, die flechts vijf jaren duurde , altoos dierbaer en gezegend zal zijn in dit eiland, door de wijsheid zijnerbeduringe, delde eene wet in, door welke ijder Landvoogd , dien men Capitan Giustiziere noemt, verpligt wierd met zijne middelen intedaen voor alle de diefdallen, die op de wegen van zijn regtsgebied gefchieden. Deze wet, altoos in kragt, heeft de openbare veiligheid verzekerd ; en indien 'er nog diefdallen en moorden bedreven worden, zijn zij zelden gemeener dan in de landen van Europa, die voor de befchaefdfte gehouden worden. Bovendien heeft de Regering, tot beveiliging der wegen, eene foort van marfchalksbende ingedeld , die wel voor een groot gedeelte uit deze druikrooveren beftaet; maer men kan op hen vertrouwen, en is verzekerd van niets te vreezen te hebben, wanneer zij belast zijn met eenen reiziger te vergezellen. Ik nam een' dezer lieden met mij, en had geene reden om 'er berouw van te hebben. Vergenoegd met de geringe fomme, wegens welke wij overeengekomen waren, en die niet meer dan eene enkele kroon daegs bedroeg, voorzag hij mij van alles, verzorgde mij verblijfplaetfên en. levensmiddelen, maekte den prijs in deherC 3

Sluiten