Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Driehonderd Vijfenzeventigste Brief. 33

Het lot deezer gevangenen was in een Vorstlijken fraaak: twee deezer Prinfen werden terftond om hals gebragt; een door zijn opvoeding buiten ftaat gefteld, om ooit te kunnen regeeren, en om Brunechilde voortaan het kwaaddoen te beletten, bond men haar, met het hoofdhair aan de Haart van een paard, en liet haar dus te pletteren fleepen.

De dood deezer Vorllin was zekerlijk een offer aan de getergde Rechtvaardigheid; maar wij zouden een valsch getuigenis geeven, wanneer wij Klotarius den tweeden het oogmerk toefchreeven, om de Maatfchappij wraak te verfchaffen, door Brunechilde te laaten dooden! Hij bedoelde, in weerwil van alle zijne voorwendzels, niet anders door deeze moorden, dan om alleen over Vrankrijk te mogen gebieden, zonder eenige vrees voor Mededingers of Tegenftanders. Welke onbekende voordeden en nooit geweeten aangenaamheeden moeten er aan een kroon vast zijn, om welks bezit, de Voorbeelden der Onderdaanen, zig geene gruuwelen fchaamen!

Klotarius de tweede, de Zoon van Chilperik en Fredegunde, bezat nu den franfchen Rijkstroon, ais de bciooning van een menigte Vorstiijk bloed, 't welk hij had doen ftroomen. Zijn oogmerk bereikt hebbende, vond hij middel om de rust te herftellen; de geneegenheid zijner Onderdaanen te winnen, en de Rijksgrooten maguger en teffens afhanglijker te maaken.

XXIX. Deel. C Be

Sluiten