Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'32 Middelen ter bevestiging en voortplanting

gen, ten einde eenen ieder tijd en gelegenheid te geeven,i orn her. bedaard en nauwkeurig te kunnen onderzoeken, en vervolgens, op goede gronden, onpartijdig beoordee'len. Maar neen, het moest, zonder verdere overweeginge op eene bloote voorleezing, als een Kerkenraads Advies'aan de hooge Regeeringe in Indiën overhandigd, en, om zijne fraaiheid, mee de eerfte fcheepen, aan deezen en geenen in het Vaderland overgezonden worden. Wij lazen her. reeds in het jaar 1778.

Na dat het Advies meer bekend was geworden door de korte , doch bondige, Aanmerkingen , welke de Hoo* Eerwaarde Hofstede daar op gemaakt heeft in het Tweede Deel van zijne, met zoo veel lof ontvangene OostIndifcbe Kerkzaaken (*), is h'et door den Haarlemfchen Boekverkooper J. Tydgaat gedrukt en uitgegeeven, onder den titel hier boven gemeld. Hij, wel begrijpende dat dees wijn eiloof noodig had, prees het Stuk in zijn Voorberigt aan als van te veel gewigt, dan dat het voor zijne Leezers verborgen bleef; maar had de voorzigtigheid te verbergen , dat de ligtbeid van hec zelve reeds door den Profesfor was aangetoond.

Wij zullen eerst den inhoud van het Advies kort fchetzen, en dan onze gedachten daar over uiten.

De Opfteller van het Advies begint met eene vergelijkinge tusfchen de drie Verhandelingen: „ Daar het geletterd Genootfchap hun (den Schrijveren der gemelde Verhandelingen) verfchillendc Eereprijzen heeft toegeweezen, hebben wij ook niet kunnen nalaaten de verfchillende waardij dier ftukken te onderfcheiden, waar van zekerlijk 't eerfte de andere ruim zoo verre overtreft, als de kostbaarheid van het Goud de waarde van het Zilver te boven gaat, waarom we ons ook tot dat, boven deszelfs Mededingeren bekroonde, Stuk bepaald hebben, terwijl wij in de andere buiten het geen zij met den Profesfor Hofstede gemeen hadden, en eenige met het doel van het zacht geaard Christendom min ftrookende trekken, niets gevonden hebben, dat zonderlinge opmerking verdient.

„ 't Is zeker, dat, kon men immer een welgetroffen tafreel der bevestiginge en voortplantinge van den Christelijken Godsdienst verwachten, het uit de meesterlijke hand van den keurigen Hofstede moest zijn."

Wij

(*) Zie Bladz. 283 en volgende,

Sluiten