is toegevoegd aan uw favorieten.

Landreize naar de Oostindiën.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAAR DE OOST/INDIEN.

221

minnen bezig met het maken van eene houtmijt van gekloofd brandhout ter hoogte van omtrent agt voet en ter breedte van vier voet. Zij begonnen dit werk met eenige paaien in den grond te flaan en bouwden daarop het midden tot de hoogte van omtrent drie en een halve voet.

Digt daar bij lag het lijk van den overledenen op eene baar van bamboesriet ; hij fcheen niet boven de zestig jaaren geweest te zijn. Vier braminnen gingen driemaal flaatlijk rondom den doodeneerst tegen den loop der zon in, en vervolgens driemaal met den loop der zon , prevelende den geheelen tijd gebeden, en zo dikwijls als zij rond kwamen, ontwikkelden zij de kleine hairlok , die op hun hoofd niet mede afgefchoren word, en wikkelden dezelve ook aanftonds weder op.

Eenige andere braminnen goten onderwijlen met een groen gerold blad water op eenen kleinen hoop gedroogde koemist, waarmede naderhand de houtflapel in brand gedoken zou worden.

Een oude bramin zat aan den noordöosthoek van den houtflapel op zijne mat met eenen bril op , en las , geloof ik, den chaster, of hunne fchrift, vervat in een boek van cajanbladen.

Omtrent een uur daar geweest zijnde, vraagde ik, wanneer de houtflapel zou aangeftoken worden;