Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 29 )

afneemt dat baar geene Itraf om deze zaak zoude overkomen, to'ont genoeg, dat zij hem gekend heeft. Want zwoer dat iemand, welke geen koning was, dan zou het weinig baaten (*> De eed van ffilzvviigendheid was het eenige, wat men van hem kon eifchen. saul begeert s amuëL te fpreken, en wordt nu vermoedelijk in de onderaardfche holen gebragt. De vrouw ziet sAMuè'Luit de aarde opko. men; zij fpeelt haare rol bijzonder wel; fchreeuwt met luider ftemme, en kent aan sAMuë'LS gebaarden aanftonds saul, welken zij toeroept: waarom hebt gij mij bedrogen? want gij zijt saul! Dit maakt zeker saul nog meer verflagen en overtuigd. Inmiddels is hij zoo gelukkig niet om iet van s a M u ë l te zien; want als dat oude wijf begon te roepen , zoo vroeg de koning (t) wat ziet gij? en toen zij zeide, eenen geest, vroeg weder de koning, hoe is zijne gedaante ? Hadt nu de vorst dien geest zelve gezien, dan zoude hij na deszelfs gedaante niet gevraagd hebben. De fchimmen verwonen zich alleen voor de oogen der bezweerster;zij befchrijft hem die, en saul is dermaten ontroerd, dat hij zich voor de fchim, die hij niet ziet, ter aarde nederwerpt. sAMuëL fpreekt vermoedelijk zoo als de gedaagde dooden (§) worden befchreven, piepend en binnens monds mompelend, niet met eene gewoone item, maar als een geest, welke niet recht meer kon fpreken; of, zoo als virgilius (**) van de fchimmen zegt:

t otter e vocem Exiguam. Inceptus clamor fruflratur hiantes.

Zij flaan een zwak geluid En gaapen; maar de Item wil niet ten keelgat uit. Men kan aan zulk eene fpraak niemand kennen, en des te kragtiger is zij, om in eene duistere plaats ijzing en fchrik te verwekken, (ff) s a m u ë l nu fpreekt in zijn Character fcherp

teei) [ta j. clericus in libr. hijlor. V. T. Amfl. 1708. p. 270. not. 10. Ct; Vs. 13- C§> 3'f. VIII: 19. C*) ^«tU. VI: 492. 493Ctt)coTTFRiED WAHRLiEES zegt in zijn werk deutlielie rorftellung der Nkhtigksit der yermeynten Ucxtrej/en und des uvgegrun.

jj 2 itttn

Sluiten