is toegevoegd aan uw favorieten.

De godsdienstvriend

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 104 )

eigendom van jehova, en de Israëliërs deerns als hoévenaaren van dat land aangezien , welken om die rede

hunne akkers niet voor eeuwig verkoopen konden. *

Uit de oprichting van dezen ftaat leidt daarom ook 'moses het recht van God , om de Israëliërs wetten voortefchrijven, alleen af: „ wanneer uw zoon, zegt hij, u morgen „ zal vragen : wat zijn dat voor getuigenisfen en inzet„ tingen, en rechten, die jehova, uw God, u gegeven „ heeft? zoo zult gij tot hem zeggen: wij waren in Egypte „ flaaven des Konings , maar jehova voerde ons met „ eene fterke hand uit Egypte, en deed voor onze oogen „ groote wonderwerken, door welken hij Egypte, pha„ rao en zijn huis flrafte. Maar ons voerde hij uit, om „ ons het land te geven, het welk hij onzen Voorvaderen „ gezwooren heeft. Daarom heeft hij ons bevolen alle „ deze wetten waartenemen." (*)

Waarde Medechristenen! houdt dit altijd in het oog on. der het lezen der Mofaïfche wetten, en gij zult daar door des te gemaklijker tot het rechte veriland van dezelve geraaken.

Mogten wij voor ons het zedelijke 'er in opmerken, alle onze daaden daar na beftuuren , en dus ter eere van God en van onzen grooten Verlosfer , die de Wet voor ons verheerlijkt heeft, leeven — eeuwig leeven! Dat hes dan onze geduurige fmeekbeé zij:

Och of wij uw gebcón volbragtenj

Genaê! ó hoogfte Majefteit! Gun door 't geloof in christus krachten,

Om die te doen uit dankbaarheid.

O D.'iit. VI: 20—-*4.'