Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 235 )

fchuldvergiffent3 , en de Vaderliefde , welke hij mij toedraagt, eerbiedigen. Zal ik mij aan hem toebetrouwen met mijne belangen en zorgen in dat vertrouwen, dat hij mijn helper , mijn befehermer en mijn bewanrer zijn zal , ik mag mij verpiigt vinden om van alle middelen en gelegenheden , welke mij de Voorzienigheid verleent , gebruik te maaken, echter zal ik mijne nietigheid en de ijdeiheid van alle onze pogingen moeten erkennen, zo wel als van de beste hulpmiddelen en gelegenheden , zo de Allerhoogfie dezelve niet zegene. Zal ik op God vertrouwen, nergens moet ik mij op beroemen, als of ik 'er de oorfprong van -was, waar eenige lof of verdienltcn in mogt Heken; maar het alleen houden als gaven van mijnen God en hem daar voor danken; en dus zal ook het vertrouwen op God mij beletten om mij op mijne gaven of voorrechten te verheffen , om 'er ijdele eer en toejuiching door te bejaagen, en zal ik ook met befchcidenheid de gaven en voorrechten, met welken de oorfprong van alle goed mijn naasten begunftigd heeft , in hem op prijs dellen, en hem voortreflijk agten. Zoo ootmoedig zal ik op God vertrouwen. In die voornaame fluk der Godzaligheid vordert hij zulks van mij, en ik achte het betaamlijk. Dan dit baart moeilijkheid. Men heeft ten allen tijde befpeurt, hoe de mensch, door dwaaze zelfsüefde befiuurd, en ijdele eerzugt gedreven, geneigd was om zich op zijne verdienften, ga^en en voorrechten te verheffen, en dien lof, welke voornaamlijk den Allerhoogden God toekwam, voor Zich bij de menfchen te zoeken. Vleiende tongen, fchitterende eerbewijzingen, luide toejuichingen geven aan die fehadelijke geneigdheid voedzei, en maaken zulk een vertrouwen den verligtften Godsvereerer een moeilijke oeffening, ik laat (laan dan menfchen. die door 'Tooroordeelen of bijgeloof verblind zijn, gelijk het Joodfche volk met hunne Leeraars ten tijde van het verblijf van Christus op aarde, toen de beoeiTening van waare God•Zf.ligheid en deugd moest herfteld worden. !

De htop of God moet met lij 'za.-imhefd vergaai,,' gaan , Gg 2 • -v ej

Sluiten