Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door al der fehepHen vreugd — 't gejuich der boschkoraalen

Golft lieflijk — wijl een aadlaar ftijgt,

En wolken aan zijn pennen rijgt; Ja, 't fpartlend vischjen mag door heldre golven dwaalen.

De dag ontwijkt het zingend oord , En kuscht een andre helft der aarde;

Maar de englenrei, die aan den boord Der waereldfchepping 't fpeeltuig fnaarde,

Die feestrei gloeit door godlijk vuur,

Zij vangt de toontjens der natuur, En doet het glorielied langs aard- en wolkboog klinken.

De bruine nagt dekt zee en land;

Maar in haar fchaduwrijke hand Doet zij de zilvren lamp, omkransd met flarren, blinken.

Ja, flaap Natuur! uw vruchtbre fchoos Moet nog een zigtbre Godheid baaren,

Hoe lieflijk zal het morgenrood Den koelen nevel op doen klaaren! Gods adem, die in 't koeltjen zweeft, Ruischt over 't ftof, dat werkt en leeft; Waar vindt verbeelding hier de teekencnde kleuren? Een vrije, levenskragt ontwaakt, Daar 't zacht gevoel en wellust (maakt, Vfiei gloed bekoorlijk fmelt in dankbare offergeuren,

D 2 't Be»

Sluiten