Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 235 )

ge gebeurdtenis ten voorwerpe. Ook gaf jehova wel eens eigenlijke godfpraken van den hoogen hemel af. Zo fprak God met de kinderen Israëls van boven het verzoendekfel af, van tusfehen de twee Cherubijnen, die op de arke der gettiigenisfen waren. (*) Bij andere ge¬

legenheden maakte jehova gebruik van de harten en verflanden der menfehen , die toch altijd naakt en geopend voor hem zijn, en tot welke hij elk oogenbük den vrijen toegang heeft. Dit noemt men ingeving , welke een aandrift in 's menfehen geest veroorzaakte, cn verzeld ging van eene kalmte en helderheid des harten; en waar mede c<»

vid en andere profeten hunne fchriften vervaardigden.

Ook zondt God wel eens zijne hemelboden op deze laage aarde, die zijnen wil aan het menschdom bekend maakten. Eindelijk fprak God tot moses en jesus

Christus op eene wijze, als hij nog nooit tot eenig snder' profeet gedaan hadde. De Allerhoogfte vergunde den Oprigter der Mofaifche en dien van de Christelijke bedeeling het voorrecht, om onbevreesd, gemeenzaam en on-

midlijk met hem te verkeeren. Op zoo veelerlei

wijzen heeft God voormaals tot de vaderen , en in deze laatfle dagen tot jesus en zijne Apostelen, en door jesus pn zijne Apostelen tot ons gefproken.]

Maar vooral moeten wij nog onzen lezeren voorftellen,

dat God niet alleen op veelerlei wijze maar pok veel-

rnaalen tot de Vaderen gefproken heeft. Zijne operv

baaringen bleven tot vader adam niet alleen bepaald, noch ook tot zijnen zoon kaïn. met wien de Heer, zoo voor als na den broedermoord, een famenfpraak hadde gehouden.

Neen, 'er zijn meer zulke openbaaringen. Na den Zondvloed fprak God tot noach. Wij vinden niet, dat jthova zich aan hem en de zijnen , als den Schepper vrn hemel en aarde, of gelijk naderhand aan abraham als den

Almagtigen openbaarde. In die openbaaringen zijn

pok geene waarfchouwingen tegen afgoderij en zedenluos» heid, noch voorfchriften van heiligheid des levens. Men verwondere zich hier niet over, ontdekkingen van_ dezen aart waren overtollig, en dus met de godlijke wijsheid niet

be-

f } Exod, XXV: f2,

Gg 2

Sluiten