is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen over Jesaia LIII, LIV, en LV.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JESAIA LIV: VERS 6 8. 439

Hof. II: 18. Ik zal u mij ondertrouwen in goedertierenheid. En in dit opzigt komt het hier inzonderheid ce.paslè, daar de geduurige toefpeling is op het Huwlijk.

b. Dan , daar de goedertierenheid, fchoon door een wettig Huwlijk geftaafd, onder menfehen egter aan verflaawing onderhevig is , of door den dood kan worden afgebroken , daar ftrekt dit hier niet weinig tot verheffing dezer goedertierenheid, dat de Heere dezelve eewig noemt. Het is, en zoude zijn eene eewige goedertierenheid. . Eewig,,ja, reeds van vooren; in de eewigheid bepaald, van eewigheid reeds vastgefteld; zoo dat Hij zeggen kon Jer. XXXI: 3, Ik heb u lief gehad met een eewige liefde, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid, maar eewig ook , in opzigt tot derzelver duurzaamheid, waar op hier wel inzonderheid gezien wordt, gelijk uic de volgende 9 en 10 verfen blijkt. Eene eewige goedertierenheid dan , die onafgebroken , en die zonder .einde duuren zal; die zig over haar zal uieftrekken door haar ganfche beftaan, en over al haar Zaad door alle genachten heen, in den afloop der eewen, tot op bet einde der wereld; en die dan zal afgewisfeld worden met den ftaac der hcmclfche, der eewige heerlijkheid.

C. Mee zulk eene eewige goedertierenheid, zege God, zal ik mij uwer ontferEe 4 men;