Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELUK ONDER DE MENSCHEN. 2.$?

ïusfchen, duizend fchoonheden in de natuurelyke en zedelyke waereld onbewoogen voort, ziet en bemerkt de fchoonfte vatbaarheden, de veelbeloovendfte bekwaamheden, de beminnenswaardigfle eigenfchappen, de deugdzaamfte verrichtingen zyner mede menfchen niet , ziet noch kiem noch vrucht, noch begin noch voleinding, en klaagt dan over gebrek aan voedfel voor zynen geest en zyn hart. Zo dorst hy dikwyls in het midden van de rykfte bronnen van genoegen en lydt honger aan een overvloedig gastmaal. Allerwegen omringt hem ftof tot geluk, maar hy floot ze, uit onachtzaamheid en ligtzinnigheid, verachtlyk van zich. En wie dan by zelf is alsdan de oorzaak van zyn gebrek? Willen wy daarin ten opzigt van onszelven voorzien, myne geliefde Vrienden! laaten wy dan toch niet als met geblinddoekte oogen en met ongevoelige harten in eene waereld vervuld van fchoonheden en zegeningen verkeeren. Laaten wy integendeel geene en deeze voor haare menigvuldige indrukfelen ontOuiteti, en zelfs dat fchoone en goede onzer opmerkzaamheid verwaardigen, wiens uiterlyke gedaante misfchien niets uiJokkends en bekoorlyks heeft, en tot wiens ontdekking en

ge-

Sluiten