Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*6 CH A R A C TE R - SCHETS

heid der vrouwelijke denkbeelden niet fchielijk ver* moeid wordt. Onze Romans leggen zig toe, om do verbeelding der Vrouwen meer te prikkelen i dan te bevredigen; onze Dichters fchijnen haar fteeds minder te behaagen, dewijl zij , door de bevallige en verbeeldrug-volle fchoonheid der Wielandfche Zanggodin verrukt, in de koude of ook te onnatuurlijke naar» volgingen van latere Dichters geen fmaak vinden kunnen. Het ernltig, redeneerend Onrijm gevalt even min aan onze Vrouwen, als de redeneercnde Dichtkunde; Haare vinnige gewaarwordingen willen met fraai gefchilderde daadzaaken, met levendige befpiegelingcn, en niet met fijnigheden van 't vernuft onderhouden worden. De Vrouwen hebben ook wel haare wijsgeerte, maar zij heeft eene andere gedaante, een ander doeleinde, dan de onze. Haare beoordeeling beftaat in gevoel, cn in zoo verre oordeelt zij dikwils meer gepast en naar waarheid, dan de wijsgeerte der Mannen. — Dit in het voorbij gaan.

Het tijdverdrijf in den omgang met haare mannen en kinderen zoeken deeze vrolijke Vrpuwen doorgaans alleenlijk uit nooddwang, of wanneer zij door ziekelijkheden van haar lichaam in buis gehouden worden. Misfchien wordt eene onrust-minnende Vrouw langzamerhand omtrent niets onverfchilliger, dan omtrent haaren man eri kinderen^ dewijl haar in haare meest geliefkoosde neigingen niets zoo zeer als deezen, in den weg is. In de groote weereld heeft deeze fmaak door de verdorvenheid der zeden, en de meenigte van voorbeelden zelfs een zoort van bijzonder gezag verkregen. De gemeenfehap en omgang tusfchen Man en Vrouw fchijnt aldaar meer eene uit ftaatkundc gemaakte overéénkomst te zijn, dan een verdrag, waar'

aart

Sluiten