Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tooneelspel:

TWEEDE BEDRYF.

Het tooneel verleeldt een digt losch; aan het einde aan ie eene zy eene weide, heuvels aan de andere, in het verfchiet boerenwoningen; de rovers liggen op den grond onder de hoornen te flupen, verfcheiden van hen zyn gekwetst: de eene draagt den arm in eeiC doek. Gedurende de drie eerfte te». neele/t is bet nacht, en vervolgens begint de dag aan te breken.

EERSTE TOONEEL.

ROBERT; hy zit aan den voet van een' loom diep in gedachten. 'Zsy flspen... en de rust ontwykt my! De fluimerïng durft myne oogen niet genaken; myn ligchaam is afge« mat, myn hut onderdrukt, en, tot overmaat van elende, ben ik gedwongen myn traancn te wederhouden, myn zuchten te verfmoren. Ach, Robert! Robert! Neen, 'er is voor u geen geluk meer op aarde! Omringd van itruikrovers, die ik tot myn ongeluk gebied, gaat de verfchrikking voor my heen, en de verwoesting volgt myne fchreden. (Met drift.) Ik was geboren om geluk, kieen te maken, en ik breng den fchrik in de fameoleving. Doch ik heb myne klachten, myn berouw, myne ■wroegingen voor de voeten van den vorst doen komen; ik heb alles gezonden aan den graaf van Berthold, H myn'

Sluiten