Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL.

7

BAZILIUS.

Laat dat, laat dat daar. Ik heb 't gedaan , om dat ik geloofde dat ik, in diergelyk geval, dezelve dienften van u zoude ontfangen; 't is heel eenvoudig , dat. De armen moeten eikanderen wel helpen, dewyl de ryken zelfs geen acht op hen (laan. Kom, zeg, wat ontbreekt je nog? Zo ik 'theb, is'tof het je toekwam. Spreek, ik luister.

CAROLINA.

Ik weet niet hoe ik beginnen zal... Myn traanea vloeien.

BAZILIUS.

Hé, wat hagel! traanen zyn geen reedenen. Kom nog eens, fpreekdau!

CAROLINA-

Myn echtgenoot, myn arme Carel, ach! wat heb ik aan hem veel gekost!

B AZILIUS.

Kan men het geluk te duur betaaleu?

CAROLINA.

Ily was voor een anderen ftaat geboren....

BAZILIUS.

Edeler mogelyk, dat kan zyn. Maar zyn Carolina, zegthy, is alles voor hem; en dat geloof ik , want Carel liegt nooit.

CAROLINA.

Ja, gewis, was hy voor een hooger ftaat geboA 4 rtn.

Sluiten