Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

BOEK VI

Hoofdir. na C. G Jaar 193, 235-

i

i

i C fi 11

d tc ft

4

P1 di m

te:

350 KERKELIJKE warring des harten, eri met een zuiver gemoed m Sommigen wiesfchen, ten zinbeeld van deze zuivel heid, de handen, vóór dat zij hun gebed decden, ja zelfs wel, niet zo„der bijgelovigheid, baadden zij hun geheele Hgchaam, (f) zoo hadden ook eenigen de gewoonte, om, vóór het gebed, hunnen mantel af te leggen, en na hetzelve neder te zitten en meer andere onhandigheden, welke tertulliaI nus, dewijl 'er de Ileere, noch zijne Apostelen geen gebod van gegeven hebben, voor Bijgeloof verklaart Men bad, met uitgebreide armen, waardoor men het teken des kruis uitdrukken, e„ dus te kennen wilde geven, dat men een Christen zij; dit beseft men echter niet altijd te doen, even min als :en luid geroep tot liet gebed behoort. Ons rebed noet dil, nederig, eerbiedig wezen. (_§) Na het al iemeen gebed gaf men malkanderen den broederkus" Is eene verzegeling des gebeds , uitgezonderd op en Paaschdag, wanneer men een algemeen vasten ield, terwijl onze Kerkvader het afkeurt/, dat fom ngen, wanneer zij, in 't bijzonder, gevast hadden, .en broederkus nalieten, gelijk hij ook de gewoonvan velen afkeurt, welke , op de weeklijkfche bedeMiden en vastendagen, die hij, met een woord uit * kn.'S'sdicnst Mime, ( wachten of

>sten,) noemt, de offergebeden, gelijk hij zich uitnkt, dat is, het gebed cn gebruik des Avondlals, met bijwoonden, in den waan, dat hun vasi, door het ontvangen van des Heeren ligchaam,

t * \ r< , . ZOU

10. (f)c. u. (S)C i2,,3.

Sluiten