Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

boek

VI

Hoofdft. na C. G. Jaar 193. 'tot 235.

De doop derChristenen.

j 1

2 1

tl

1

c

ni

Wi

de he do Ui ine gec eer des

35* KERKELIJKE ren in het gebed, befloten hetzelve met Allelujah, en zulk foort van Pfalmen , met welker dot de' overige aanwezenden konden antwoorden (*).

Uit de verhandeling van tertullianus over den Doop, kunnen wij de inrichting van denzelven onder de Christenen, ten dezen tijde, vrij duidelijk leeren kennen. Hij noemt den Doop „ het zalig Sa. „ crament van ons water, omdat wij van de zon„ den onzer voorige blindheid afgewasfehen, en tot , het eeuwig leven verlost worden." Hij befchouwt m , als eene zeer eenvouwige plegtigheid; men iet, zegt hij, een mensch zich in het water nedertten, (f) en met weinige woorden gedoopt worden,

(♦) C. 25, 25, a7.

(t) Tertullianus fchijnt alleen den doop door indeling, niet door befprenging, te kennen. Zoo zegt j ook (de orat. C. n.) „anus cum toto eorpore in 'tristo femel lavimm. „ Wij hebben de handen, met het geheele ligchaam, eenmaal (bij den doop,) in Christus gewastenen.» Hier uit volgt niet, dat ook :t de doop door befprenging kan bediend zijn. Troums,ten opzichte der uiterlijke plegtigheden, gebruikten

Christenen, in onderfcheiden plaatzen, hunne vrijd. Iet, het geen te weinig in acht genomen wordt, ar hen, die ons de Christelijke oudheden befchrijven'. : zijn Boek de corona militis, zien wij nog, dat de ompeling drie malen gefchiedde, als ook, dat deze oopten melk en honig werd gegeven, en dat zij zich e gantfche Week daar na van alle wastenen en baden

ligchaams onthielden.

Sluiten