is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene kerkelijke geschiedenis, der christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

BOEK VII

Hoofd» na C. G

Jaar 235 tot 251

438 KERKELIJKE

Kluizenaarsleven genoemd worden, voor zoo veel hij geheel eenzaam en onbekend leefde, antonius door zijn voorbeeld deze levenswijze aanprees , en zijn ■ leerling pachomius deze oefeningen van Godzaiig" heid nog volkomener zocht te maken, door zijne fchikkingen omtrent een eigenlijk Monniken leven, die hunnen naam, (Movxyj?,) van de eenzaamheid hebben.

Niets was natuurlijker, dan dat lieden, die zich geheel aan de famenleeving onttrokken, om zich enkel aan Godzalige befpiegelingen en de verkeering met God toe te wijden, voor heiligen werden aangezien, en dat men dra van zulke heilige lieden ook wonderdaadige en buitengewone vermogens en krachten verwachtte. Men behoeft zich ook niet te verwonderen , dat deze voorbeelden zoo vele navolgers kregen, zoodat zelfs weldra het getal dezer AVoestijnbewoncrs, bijzonder in Egypte, gelijk wij, in \ vervolg, zien zullen , aanmerklijk werd. De heete luchtdreek van dat Land, zoo ligt de verbeeldingverhittende, eene natuurlijke neiging tot eenzaamheid in fommigen, een zwaarmoedig gedel , of verdikt bloed, in anderen; bij dezen tegenfpoed of wederwaardigheden in dit leven, bij genen een gevoel van te vooren begaane zwaare zonden, ook de zucht, om voor iet groots geacht te worden; deze en dergelijke oorzaken konden velen ten drijfveer verftrekken, om de pligtcn, die een Christen aan de famenleving verfchuldigd is, te verzaken, en in Woestijnen het leven van eenen Christelijken wilden te leiden, waar van bij fommigen het gevolg was, eene

ge-