Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

BOEK

XI Hoofdft na C. G Jaar 251 tot 284

232 KERKELIJKE

tot iet buitengewoon wonderbaars befluiten. Deze Lofreden op origenes, tot eene dankbetuiging aan dezen zijnen leermeester, door gregorius, gelijk • wij gezien Jiebben, in het jaar 239 gehouden, en ' welke voor een meesterftuk van Welfprekendheid wordt geacht, is nog overig, en door david hoeschelius voor de eerftemaal, in het jaar 1609, te Augsburg, in het Grieksch en Latijn, met de Boeken van origenes , tegen celsus , in druk uitgegeven.

Verders hebben wij van hem eene omfchrijving (Ms]a<pf.x(rK,) van Salomo's Prediker, in welke dit Boek verklaard, en de daar in vervatte zedenleerbreedvoeriger behandeld wordt, waar in veel goeds en nuttigs, naar mate van de kundigheden dier tijden, voorkomt.

Hiüronymus en suidas fpreken van verfcheiden Brieven, door gregorius gefchreven , van deze heeft echter maar één Brief onze tijden bereikt, gefchreven aan zekeren Bisfchop in Pontus, dien hij Heiligften Vader noemt, welke Brief naderhand het gezag van eene Kerkelijke wet of regel, (Canon,) verkregen heeft, en daarom gemeenlijk Canonica PLpistola genoemd wordt. Een inval van de onbefchaafde volken van het Noorden, ten tijde van den Keizer gallienus, omtrent het jaar 262, gaf tot dezen Brief aanleiding. Deze hadden , bij eene gruwlijke verwoesting, die zij aanrichtten, vele Christenen in flavernij medegevoerd, welke bij deze gelegenheid van fpijze aten, die men meende, tot het Afgoden - offer behoord te hebben, doch, dit was het niinfle. Som-

mi-

Sluiten