Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

boek VI

Hoofdft. na C. G, Jaar 363. tot 476.

234 KERKELIJKE

den ongehuwden ftaat meer en meer toenam, en de gewoonte op vele plaatzen medebragt, dat een ongehuwde Geestlijke alle verkeering met zijne vrouw afbrak, zoo was het onvermijdlijk, dat de Geestlijke ambten grootendeels met ongetrouwde perfonen bezet werden, arkadius gebood zelfs , in eene bijzondere wet (*), dat, wanneer de Bisfchoppen Geestlijken te kort kwamen, zij die uit de Monniken nemen moesten. In het gemeen was het de gewoonte, in de meeste gemeenten, tot Geestlijken te verkiezen, zulken, die nooit getrouwd waren geweest, of Monniken, of zulken, die met hunne vrouwen in onthouding leefden, of eindelijk zulken, die, na een eerfte huwlijk, beftendig weduwnaars bleven (f). Men vindt wel, voegt epifanius hier bij, hier en daar Ouderlingen, Kerkendienaars en laager Bedienden, die bij hunne echte vrouwen kinderen verwekken ; maar alleen daar, waar, uit hoofde van de verflapping der menschlijke gemoederen, geene ftrenge kerkentucht geoefend wordt; of, omdat men, wegens de menigte Geestlijken, die men nodig heeft, ook getrouwde lieden daar toe nemen moet. Onder die Leeraaren van dezen tijd, die het ongehuwde leven der Geestlijkheid

Franc. 1653. 4. johan gottfr. körner van den ongehuwden ftaat der Geestlijken BI. 176. Leipz. 1784. 8.

(*) Leg. 32. Cod. Theod. tit. de Episcop.

(f) epifan. Bier. 59. pag. 496. et in fine Panarii pag. 1103. fq. Hiè'ronym. Epist. ad Pammach. pag. 77. Tom. II. ed. Francof.

Sluiten