is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene kerkelijke geschiedenis, der christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

BOEK

VI

Hoofdft. na C„ G Jaar 363 tot 476

Kleding der Monniken.

74 KERKELIJKE

eerlle Boeken van hetzelve handelen van .dit onderwerp , de agt overigen hebben zelfs een bijzonder opfchrift, (Colluctatio adverfas octo principaïïa vil tia. ) Worftcling ■ tegen de acht hoofdondeugden. Evenwel behoeven deze voor geen afzonderlijk werk gehouden te worden, gelijk gennadius en fotius gedaan hebben, dewijl cassianus ze, volgends zijne eigene verklaring, bij de voorgaande Boeken gevoegd heeft, omdat hij de lesfen der Oosterfche Monniken over den oorfprong en het overwinnen dezer ondeugden wilde voordragen.

In het eerfte Boek van dit werk, befchrijft cassianus de kleding der gemelde Monniken. De Egijptifche Monniken droegen, bij dag en nacht, een hoofddckzel, zijnde een kap, die tot aan de fchouderen kwam, (cucullus, asjcSAiat',) om hunne eenvoudigheid, als kinderen, te vertonen. Hun linnen kleed-, (colobium, kuXq@m,) komt- flechts tot den ellcnboog, om, doer de afgefnedene mouwen, het afhouwen van de werken dezer Wereld aan te duiden. Over hetzelve droegen zij twee wollen handen , die van den hals afhingen, en onder de armen doorliepen, ten einde dit kleed aan het ligchaam faam te fnoeren, en des te vaardiger te kunnen zijn tot den arbeid, Qavai@o\<xi, fuccinctoria, redimicula, vel rebracchiatoria.} Een kleine korte mantel, (mafros of mavors,) waar van zij zich bedienden, om den hals en fchouders te bedekken; en een geitenpels, (mehtis, ivojWI»»,) welke zij in navolging hunner voorgangeren in deze levenswijze, en tot een teken der bij hen gedoodde hartstochten, droegen,

maak'