is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene kerkelijke geschiedenis, der christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

BOEK VI

Hoofdft. -na C. G. Jaar 363. tot 476.

l «

5 ■

172 KERKELIJKE silius den Groot en, op veertig foldaten, die onder den Keizer julianus den Marteldood geleden hadden (*>, welke hij kort na het jaar 360 gehouden heeft. Hier zegt deze Kerkleeraar, onder anderen, tot zijne Toehoorers: „ Hoe veel moeite hebt gij „ gedaan, om éénen te vinden, die bij God voor „ u bidden mogt! Hier zijn 'er veertig, die een „ eenparig gebed opwaards zenden. Waar twee „ of drie in den naam des Hceren vergaderd zijn, „ daar is hij in hun midden. Maar waar veertig „ tegenwoordig zijn, wie zal daar aan de tegen»» woordigheid van God willen twijfelen ? Wie „ rampen duldt, die neemt tot deze veertig zijnen „ toevlucht; wie zich verblijdt, wendt zich insge1, lijks tot hen; gene, om van zijne onheilen ver, lost te worden; deze, opdat zijn welvaart beflen,, dig voortduure. Hier vindt men eene godzalige ,, vrouw, die voor hare kinderen bidt; zij fmeekt „ om de wederkomst van haren, op reize zich be, vindenden, om de gezondheid van haren' kranken , echtgenoot. Verêenigt dus ook uwe gebeden met , deze Martelaren.'" Een weinig verder roept hij it: „ 6 Heilige Vergadering! ó Geheiligd Heir! , ó Ondoordringbaar fterke Bende.' ó Gemeenfchap. , pelijke Befchermers van het Menschdom! Goede , deelnemers der zorgen! Medehulpen des gebeds! , Hoogstmagtige gezanten ! Starren der wereld, , en Bloemen der gemeenten!" Wat men hier ook 2r ontfchuldiging zegge, dat bas^ius toch niet

uit-

C*) Tom. II. Opp. pag. 155.