is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene kerkelijke geschiedenis, der christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

boek VI

Hoofdft. na C. G. Jaar 363. tot 476.

Algemeeneaanmerkingover de Gefchiedenis van het Bijgeloof onder de Christenen. Wat men voor Bijgeloof tehouden hebbe.

|

l 1

1

224 KERKELIJKE

Wij kunnen deze Gefchiedenis van den voortgang des Bijgeloofs onder de Christenen, geduurende dit Tijdperk, niet fluiten, zonder nog eene en andere algemeene aanmerking hier bij te voegen. De eerfte aanmerking is: Zedert de tijden der Kerkhervorming is de algemeene Gefchiedenis van het Bijgeloof onder de Christenen een voornaam twistpunt geworden tusfchen de Proteftanten en RoomschKatholijken. Daai beiden eene zeer ongemeene hoogachting hadden voor de aanzienlijke Kerkleeraarcn der vier of vijf eerfte eeuwen, viel het beiden bezwaarlijk te erkennen, dat het Bijgeloof door hen zou gedragen, gebillijkt, en zelfs bevorderd zijn. De Proteftanten deeden, om die reden, hun best, om, door zachter uitlegging , zoo veel mogelijk, iet aanltootlijke uit hunne fchriften te doen vertwijnen, en bepaalden zich voornaamlijk, om zulke jlaatzen uit hen te verzamelen, in welke zij zich ds getuigen der waarheid vertoonden, die alles aanvendden, om het verbasteren van den Godsdienst loor Bijgeloof tegen te werken. De Roomschgesinden integendeel willen, het geen de Proteftanten ils Bijgeloof aanmerken, niet daar voor erkennen, naar zien hetzelve veel meer aan als het oudfte en mveriinderd Christendom. Men ziet, dat hier veel lankomt op de bepaling, wat men door Bijgeloof :e verftaan hebbe. Volgends augustinus (*), is /oor Bijgelovig te verklaren, „ alles, wat de men„ fchen ondernemen , om Afgoden te maken, of

„ te

(*) De Doctr. Christ. Libr. II. Cap. 20.