Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESCHIEDENIS. 233

zij fpoedig ingang vonden, en bijzonder bij de Griekfche Christenen, fotius (*) haalt het Boek aan van zekeren Presbijter, theodorus, hetwelk H hij, omtrent het midden der Vilde eeuw, voor de™ echtheid der fchriften van den Heiligen dionysius k gefchreven heeft. De Schrijvers der Latijnfche Kerk wisten reeds in de Vide eeuw iet van deze fchriften, dewijl gregorius de Groote eene plaats uit dezelve van hooren zeggen aanhaalt, in zijne Predikatiën (f). Maar eerst, in de eeuw van fotius, werden zij in deze Kerk recht bekend, en zonder eenig verder onderzoek aangenomen, meer dan ééns in het Latijn vertaald, vermeerderd met eene fabelachtige Levensbefchrijving van den gewaanden Schrijver, en dus heel fpoedig eene geliefkoosde lezing voor Monniken en alle Mijftieken (§).

Onder deze fchriften is 'er één, over het Kerkelijk Bewind , ( de Ecclejiastica Hierarchia. ) Dit Heilig Kerkbefluur, zegt de Schrijver, of de Geestelijkheid, (Clerus,) bevat in zich eene waarde van GodUjk ingegevene wetenfehap, kracht, en volmaaktheid, welke den genen , die daar jn uit hierarchifche verborgenheden en leeringen zijn ingewijd , uit bovenaardfche en geheiligde ukfpraken der Godheid bewezen moeten worden.

De

(*) Biblioth. Cod. 1. pag. 4.

(+) Libr. IE Homil. 34. in Euangelia T. I. Opp.

(§) Men verg. joh. daille de SS. qua fub Dionyfii Areopagitx et Ignatii Antiocheni nominibus circumferuntur, Libri duo Geneva 1666, 410.

P 5

III

SOEK

XIII

DOfdft.

C. G. ar 476. t 62a.

Sluiten