Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hl

BOEK XIV

Hoofdft. na C. G, Jaar 476. tot 622.

Dooreen< Kerkvergaderingonder

FLAVIA-

uus veroordeeld.

30 KERKELIJKE

deze befchuldiging fchijnt geene gevolgen gehad te hebben.

Maar kort daar na, leverde eusebius , Bisfchop van Doryleum in Frygië, bij eene Kerkvergadering, welke in het jaar 448 te Konftantinopolen, door den Bisfchop flavianus aldaar gehouden werd, een klaagfchrift in, tegen eutyches, met verzoek, om hem daar over te hooren, omdat hij hem reeds meermalen vergeefs over zijne Ketterij onderhouden had. Op zijn verzoek werden ook de Brieven van cyrïllus aan nestorius en de Oosterfche Bisfchoppen voorgelezen, waar op flavianus en de overige Bisfchoppen verklaarden, dat het Niceensch Geloof daar in goed uitgelegd was, gelijk zij ook altijd geloofd hadden, „ dat onze Hee„ re jezus christus , de eeniggeboren Zoon van ,, God, volkomen God is en volkomen Mensch, „ uit eene redelijke ziel en een ligchaam — eenswe„ zens met den Vader naar zijne Godheid, en met „ zijne Moeder naar zijne Memchheid; dat chris„ Tus na de Menschwording uit twee naturen, in „ een perfoon, (tv /ji» vita^cteti xxi in Trgae-wxco,) „ één christus, één Heer, en één Zoon is (*)." eutyches ontboden zijnde, ontfchuldigde zich te komen, dewijl hij vast befloten had, zijn Klooster niet te verlaten; den Bisfchop eusebius noemde hij zijnen ouden vijand, voorts was hij bereid, het Geloof der Niceenfche en Efezifche Vaderen en de

ver-

(*) Act. Concil. Cpolit. a 448. in Act. Conc. Chalscd. Act. I. p. 110-127. in bard. Concil. T. II,

Sluiten