Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

B0E3C I

Afdeel. VI Hoofdft. na C. G Jaar 622 tot 814,

1 1

3 1 1 9 V

irj

23* KERKELIJKE

éénen wilen ééne werking in christus, op de baan hadden gebragt, waarom zij den Keizer verzochten, dat hunne aanhangers eens mogten zeggen, waar uit deze nieuwigheid ontdaan was? Als de Keizer de Patriarchen georgius en makarius met hunne aanhangers daar toe uitnoodigde; antwoordde makarius, met anderen: dat zij geene nieuwigheden ter baan gebragt, maar hunne leerdellingen van de algemeene Kerkvergaderingen en de voornaamde Vaderen overgenomen hadden. De Keizer hun bevolen hebbende, dit te bewijzen, liet makarius de Handelingen der Efezifche Kerkvergadering voorlezen, waar in, uit een gefchrift van cyrillus, deze woorden voorkwamen van christus: „ Zijn wil is almagtig.» Maar de Roomfche Afgevaardigden, eenige Bisfchoppen, en zelfs de Staatsdienaars ontkenden, dat hier mede iet bewezen was, nademaal, i„ de gemelde plaats, flechts van de Goddelijke natuur van christus gefproken werd. Wanneer den volgenden dag uit de Handelingen der Kerkvergadering van Chalcedon de' vermaarde Brief van leo den Grooten gelezen werd • riepen deze Afgevaardigden den Keizer toe, dat Jaar in uitdrukkelijk twee natuurlijke werkingen in christus geleerd werden , door deze woorden : , Het Woord werkt, wat des Woords is, en het , Vleesch, wat des Vleefches is.» Gundiger voor iakarius waren voorgelezene plaatfen der Patriarhen van Rome en Konftantinopolen, vigilius en iennas , uit de Handelingen der vijfde groote Kerkergadering, in welken ééne werking en één wil

Sluiten