Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V

BOEK VII

Hoofdft. na C. G. Jaar 1073 tot 1517.

1

223 KERKELIJKE

worden , die ze met een geloovig verfknd vatten konden , dewijl de Heilige Schrift zulke diepteil heeft, dat de geleerde en verftandige mannen naauwelijks in ftaat zijn, om in dezelve in te dringen. Daarom was oudtijds bevolen, elk beest, dat op dén heiligen berg zou komen, te fteenigen , opdat geen eenvoudige en ongeleerde het wagen mogt, het verhevene der Schrift te beklimmen, of anderen daar Dmtrent te onderwijzen. Dit was een inbreuk in de regten van het Lcersarsambt; en indien iemand eene ïoogere roeping tot leeren wilde voorgeven, moest iij die door wonderwerken of getnigenisfen det khrift bewijzen. Het is waar, den Pricsteren was 3e wetenfchnp om te leeren zeer noodig; doch de :envoudig(len onder hen mogten zelfs van de Geeerden , (Scholasticis, ) niet gering geacht; maar lun ambt moest geëerd worden , nademaal zij in ;ene bijbelplaats , ( Diis non detrahes,) zelfs Goden genoemd worden. Hen te beftmTen komt den Bisfchop en niet het volk toe. Ook mogt niemand, zoodanige floutheid daar mede ontfchuldigen , dat zelfs de Ezelin den Profeet beftraft had, naardien daar alleen mede te kennen gegeven wordt, dat een ieder zijnen Broeder in bet verborgene moet vermanen, maar niet, dat men dit openlijk zijnen Vader en Priester zou mogen doen. Ten flotte vermaant de Pausfen beveelt hun, ter vergeving hunner zonden, hun gedrag te veranderen, en aan het Katholijk Geloof getrouw te blijven, dewijl hij hen anders tot gehoorzaamheid zou dwingen. Op denzelfden zin Lopt de aaaere Brief, die aan den Bisfchop

Sluiten