Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ia3 KERKELIJKE

na C. G. Jaari5i7. tot 1552

in de irad den Briel eenige woonplaatfcn voor bè-' hoeftigen gedicht. Men vreesde voor oproer. Alles riep uit éénen mond, met name de Regtsgeleerden, dat het Hof in deze zaak , door de Kettermeesters, kracht en geweld gefchiedde; dat alle orde en dijl van regtspleging gebroken werd. Niettemin oordeelden anderen , dat nooit een Ketter in hunne handen viel , die den dood beter verdiend had; doch met dén moesten zij bekennen, dat zij hem niet zouden kunnen branden, zonder zich zeiven aan het grootde gevaar bloot te dellen. Nu bedachten zij eene valschheid, welke men niet zou geloofd hebben, dat in Christenen en in Godgeleerden mogelijk ware. De bovengemelde Bisfchop van Hebron viel den ouden man, toen deze op zekeren dag, meenende zijn vonnis te zullen hooren , van de Voorpoort op de Raadkamer was gebragt, blootshoofds en met gevouwene handen te voet, hem met vleijende en aandoenelijke woorden fmeekende: dat hij zich zeiven zou behouden , betuigende, dat men het met hem in de hoofdzaken eens was, en dat het geheele verfchil alleen betrof eenige Kerkelijke gewoonten en plegtigheden, die middelmatig waren; hem biddende, dat hij in dezen zich met de Kerk en hare meening zou voegen en zulks te kennen geven, opdat er geen oproer onder het volk mogt ontdaan; dat hij, de gewigtige Geloofsartikelen ter zijde zettende, en in derzelver geheel latende, alleenlijk had te bekennen: dat hij fommige middelmatige punten, gewoonten en ceremoniën , die lang in gebruik waren geweest, wat

on-

Sluiten