Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na C. G. Jaari5i7. tot 1552.

l5o KERKELIJKE

„ de met het regtzinnig geloof en de infielling def „ Roomfche Kerk ; geloofde al hetgene bij die Kerk' „ werd geloofd; beloofde met duren eede te zullen ,, blijven in de waarheid en eenigheid van die Kerk: „ die daar tegen deden, waren, oordeelde hij, den ,, eeuwigen vloek waardig. Daar in het toekomen„ de iets tegen gevoelende of voortbrengende , zoo • onderwierp hij zich der Itrengheid der Canonieke „ regten. Verzocht, dat men God, wegens zijne „ dolingen , daar hij van afflond, voor hem bid„ den zou. Die door hem verleid waren, bad hij „ om vergiffenis." — Na het lezen werd met luider ftem gevraagd, of hij, hetgeen er gelezen was, niet in dier voegen wederriep? Zijn antwoord was: Ja! niet denkende, dan op de middelmatige dingen, die naar zijn goeddunken en meening veranderd en verbeterd waren. Voor de onderteekening echter begeerde hij alles te lezen, maar de Kettermeesters riepen: „Men moest zich haasten, om het gerucht van het volk, en dat er nog meer ftond te doen." Terflond werd er eene wonderlijke verandering onder het volk befpeurd, de gunst en het medelijden verkeerde in ongunst, in toorn en vloeken. Den gevangenen trof de fchande, zijne vrienden de fchaamte.

Toen volgde het vonnis, hetwelk zijne boeken en alle andere fchriften , naar Ketterij fmakende, ten vure doemde; hem afzette van zijne Pastorij en alle Kerkelijke bedieningen; belastte zijne afzweering en nieuwe belijdenis, binnen vijftien dagen, op een Zondag of ander Feest, van den Predikftoel in de

Kerk

Sluiten