is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene kerkelijke geschiedenis, der christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na C. G Jaanst/ tot 1552

422 KERK EL IJ KE

rislën, 't welk ten jare 1546 te Vicenza in Venetië ontdekt, maar aldaar, met verlies van twee leden, ju-

lius trevisanus «1 franciscus de ruego, die,

ter dood veroordeeld, als martelaars omkwamen, door den Herken arm van de Inquifitie uit elkander verftrooid werd. Onder de vlugtende leden van dit genootfchap worden, behalve alciatus, geteld bernardus ochinus, nicolaus paruta, jacobus de chiari, franciscus niger, darius sgcinus en leliös socinus. Hun geheele getal wordt op omtrent veertig begroot. Allen worden zij gezegd mannen van eenen aanzienlijken rang geweest te zijn, die in verlland en geleerdheid uitblonken. Sommigen van hen fchijnen hunne veiligheid gezocht te hebben in Turkije; zekerder gaat het, dat velen in Zwitferland zich hebben nedergezet; anderen in Moravië. De meesten evenwel weken naar Polen. Alzoo wordt deze gebeurtenis eenvoudiglijk verhaald door sandius (*), door lubieniezki (f), wissowatius (§). van mosheim houdt dezelve voor een louter verdichtfel der Socinianen. Evenwel, naar het mij voorkomt, doet er zich in dit kunfteloos berigt, op zich zelf befchouwd , niets op, dat den fchijn van waarheid mist. Alleen of alle de opgenoemde perfonen juist wel leden van het ge-

noot-

(*) Narrat. Compend. de Unit. apud. sand. p. 210. et feqq.

(f) Bibliotk. Antitr. p. 18. et feqq. (§) Hist. Ref. Pol. p. 107. et feqq.