is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene kerkelijke geschiedenis, der christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESCHIEDENIS. 167

Wilhelmus siccama hier en daar in het werk zijn ingelascht. Maar met welke reuzenftappen men na het jaar 1767 in de theologisch dogmatifche loopbaan is voortgeftreefd , kan men zien uit de gefchiedenis van dat tijdvak, welke echter tot ons bellek hier niet behoort (*).

Gelijk in de uitlegging des Bijbels, zoo ook in het behandelen van de fyllematisch dogmatifche Godgeleerdheid, hielden de Voetianen eenen gansch anderen gang dan de Coccejanen. Dezen verwijderden zich, zoo verre zij konden , van de distelige velden eener dorre, onvruchtbare, fchoolfche Godgeleerdheid ; genen daarentegen verdiepten zich in dezelven, met het grootfte genoegen daarin omzwervende, in de hoop van winst te doen voor het rijk van waarheid en godzaligheid. Op welk eenen af ftand voetius, na het midden der zeventiend* eeuw, coccejus verre van zich af zng voorttre den, in het verklaren der heilige fchrift, hebbel wij reeds vermeld. Niet wel anders kon dit dai ook zijn ten aanzien van de fyllematisch dogmati fche Godgeleerdheid, die bij coccejus eeniglijk o de fchriftverklaring rustte, bij voetius integende< meer op, met fchoolsch wijsgeerige fpitsvindighede gemengde, gronden gebouwd was. Sedert het jat 1648, waarin beide die groote mannen elk zijn dof

m:

(*) Zie mijne Kerkelijke Gefchiedenis van de achttie. de eeuw; Vtll D. bl. 11-141. en vergelijk verder mijl Beknopte Letterkundige Gefchiedenis der Syjlematifc, Godgeleerdheid; II D. bl. 54-25°-

ia C. G.

[aan s 52» .ot 1700.

Berigt aangaande de SyltematifcheGodgeleerdheid van

VOETlUt.

t I

> l

r

t-

t-

ie 'te