Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ADVYSBOËK. 19

tyen in confeffo is, dat wylen Derk Groothuys na het affterven van zyn huisvrouw Geertje Koman , nog zestien jaaren lang by leevenden lyve geweest is, en nergens ten procesfe is gebleken, dat zy Impetranten hem Derk Groothuys, in alle die jaaren ooit of ooic tot deeze gepretendeerde fchiftinge, fcheidinge en deelinge hebben geconve. nieerd of aangefprooken, neen maar dezelve altoos in rustige en vredige posfesfie van het overige van den boedel hebben gelaacen, zo hebben zy Impetranten door het verloop van zo veele jaaren, deeze gedaane deelinge zelvs ge. Hendigt; behalven dat alfchoon ook geene verdeelinge gefchied mogte wezen, echter evenswei in zodaane gelegent• heid als alhier naar rechten gepraefumeert word, na verloop van tien jaaren, eene verdeelinge gedaan te wezen, want de DD. leeren genoegzaam eenpaarig : quod int er fratres divifio prcefumitur ex longinquitate temporis, quando nimirum decem anni inter pr oefent es et viginti inter abfentes funt -elapfi, uti videre licet apud Pet. Sanz. in tratt. de divif. bon. lib. i. cap. 12. num. 2. et ibi alleg. het welke al mede in de practycq word gevolgd , teste Ant. Matth. obferv. rer. judicat. 5. num. 42. ubi inquit : unde et edio communionis fic antiquitus placuit, ut etiamfi non revera fit inftituta, divifio fatta tarnen prafumatur post lapfum decennii, ex difiinEta et feparata posfesfione bonorum, perceptione fruttuum et folutione penfionum per L. uit. cod. comm. divid. ubi et judicatum refert in confeffu Ultraje£ti Anno 1648. 21 Juny , alleg. Ant. Fabri Cod. Sabaud. Lib. 3. 7". 27. defin. 1., Sande lib. 4. tit. 11. definit. 3 , Mornac ad L. 12. Cod. Fam. excifc. adde Mascard. in tratt. de probat. concluf. 526. num. 4. et feqq. ubi ait: etiamfi divifio ab initio fuerit nulla, nihilominus ex longinquitate tem. poris, prcefumitur valida 6? ita quidem, ut non folum prafumatur divifio, fed etiam divifionis ratificatio, uti decifum ab Aug. Ber. queeft. 4. num. 14. En derhalven, zo heeft men uit deezen allen ook moeten oordeelen, dat de Impetranten in hunnen eisch en genomene conclufie behoorden verklaard te worden, niet te zyn ontvankelyk; zonder dat hier tegens C -2 in

Sluiten