Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INHOUD

VAN HET

TWEEDE DEEL.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERKEERING MET DE GR.OOTEN DER. AARDE , MET VORSTEN , AANZIENELYKEN EN RIJKEN.

i) Karakter van de meesten onder de Groeten en Rijken. 2) Onderfcheid in de verkeering met hen, naar maate men van dezelven afhangt, en ze al of niet neodig heeft. 3) Men moet zich aan vournaame en rijke lieden op geenerlei wijze opdringen. 4) Men moet niet willen Jchijnent alsb'f men mede tot de klasfe der aanzienelijken behoorde , of in de grootfte gemeenzaamheid met hen verkeerde ; ook niet hunne gewoonten , en nog minder hunne gebreken zich eigen maaken.

5) Men vertrouwe niet op het vriendelijk voorkomen der Groot en, en laate zich daardoor nooit beweegen , zich alle gemeen met hen te maaken!

6) Bepaaling van de gedienjliglieid jegens zodanige Grooten, die ons burgerlijk geluk in hunne handen hebben. 7) Men moet zich van hen niet tot oneerlijke en gevaarlijke dienstbewijzen misbruiken, zich in geen netelige zaaken inwikkelen,

* 4 noch

Sluiten